Het mocht haast niks.
Het mocht hooguit netjes aangekleed op de bank grapjes komen maken. Geen brutale vragen, geen koffiekringen. Het mocht de naam Liefde niet eens hebben. Het mocht een apenpakje aan en kunstjes doen, -kijk uit voor de beeldjes-, vermaak... De lach schel en snel uitgestorven.
Het mocht blijven tot vlak voor het eten. Het werd verder niet uitgenodigd. Op een tienerkamer werden gedachten geniaal maar boos. Kleur en muziek gifvrolijk en gelijk volume tien.
De wereld zelf werd boos. Gaf mooie bloemen die stonken, schattige hondjes die ineens aanvielen, valsheid onder een schitterlaagje pracht. Het leek niet meer goed te komen.
Leek.
Want na jaren van het vervolmaken van het harnas, van cynisch steeds herhaalde conclusies die allang niet meer op waarde getoetst werden, veranderde de lucht. Het werd lichter.
Er waren hondjes die uitgestrekt renden door het gras. Er waren blikken met een glimlach die je anders alleen op lippen zag. Kleur van vakantie en kinderkriebelteentjes 's ochtends in bed. En niet de noodzaak om te beschermen wat liever wilde groeien, het harnas uit, het daglicht in.
Er waren ruzies nog, om oude troep wat allang niet meer bij nu hoorde. Nee, ik ben niet alleen. Nee, jij mag er helemaal zijn. Er gloorde iets.
En cynisme maakte zich groot en sleep zijn messen, scherper dan ooit.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten