zondag 30 september 2007
liefde, 't mocht wat...
Het mocht hooguit netjes aangekleed op de bank grapjes komen maken. Geen brutale vragen, geen koffiekringen. Het mocht de naam Liefde niet eens hebben. Het mocht een apenpakje aan en kunstjes doen, -kijk uit voor de beeldjes-, vermaak... De lach schel en snel uitgestorven.
Het mocht blijven tot vlak voor het eten. Het werd verder niet uitgenodigd. Op een tienerkamer werden gedachten geniaal maar boos. Kleur en muziek gifvrolijk en gelijk volume tien.
De wereld zelf werd boos. Gaf mooie bloemen die stonken, schattige hondjes die ineens aanvielen, valsheid onder een schitterlaagje pracht. Het leek niet meer goed te komen.
Leek.
Want na jaren van het vervolmaken van het harnas, van cynisch steeds herhaalde conclusies die allang niet meer op waarde getoetst werden, veranderde de lucht. Het werd lichter.
Er waren hondjes die uitgestrekt renden door het gras. Er waren blikken met een glimlach die je anders alleen op lippen zag. Kleur van vakantie en kinderkriebelteentjes 's ochtends in bed. En niet de noodzaak om te beschermen wat liever wilde groeien, het harnas uit, het daglicht in.
Er waren ruzies nog, om oude troep wat allang niet meer bij nu hoorde. Nee, ik ben niet alleen. Nee, jij mag er helemaal zijn. Er gloorde iets.
En cynisme maakte zich groot en sleep zijn messen, scherper dan ooit.
dinsdag 25 september 2007
de komst van de spin...
Toen de driftkikker een pad werd, en in het donker van de plomp voor zich uit zat te mopperen, vond hij plotklaps een nieuw lief; de spin.
Zij was ooit heel erg mooi, zei ze, en prachtig slank, en als bewijs hing ze overal foto's op van vroeger. En nog keek ze uren naar haar weerspiegeling in het donkere water, schikte ze haar plooien, blies ze haar lippen op en hulde ze zich in rijke gewaden die de tand des tijds verhulden en toch haar ware sensuele aard deden uitkomen. Ze werd woedend als iemand onverwacht langs kwam als ze nog niet toonbaar was. Razend spinde ze een web om zijn blad heen en trok bij hem in.
De pad vond het wel best, voelde zich begrepen en wentelde zich in haar kleverige complimenten, tot hij raar en krachteloos werd, en alleen nog maar onzin uitkraamde. Maar 's nachts, en dat mocht iedereen horen, haalden ze samen bizarre capriolen uit, en noemden dat Liefde.
Arme pad.
De guppies die door de spin eerst binnengehaald werden als Eindelijk Familie, waren al snel niet meer welkom. Te druk voor de pad, vond ze. En niet goed voor de guppies zelf, liet ze de pad zeggen. Trouwens, de spin zelf had ook niet zo'n zin in jeugdigheid, ze sliep nogal lang uit en vulde haar dagen verder met langdradig praten, dus guppiegedoe kon haar gestolen worden.
En na verloop van tijd was het blad van de pad een ingekapselde vesting geworden, waar niemand meer naar binnen kon of wilde. Soms legde iemand een briefje neer, maar die werd door de spin snel weggegrist en vertaald naar haar goeddunken. Door de steeds dikker wordende dradenbrij heen hoorde je nog weleens flarden van geluid; stotend gestotter leek het, of zielepijn.
Maar de pad had gekozen, en zo kreeg iedereen wat hem toekwam; de één de fonkelende vrijheid van het open water, de ander de schimmige schemer die hem altijd al had getrokken.
