
Er was eens een prinsesje dat hoopte dat ze ooit haar prins zou vinden en dat alles dan goed zou komen.
Op zoek naar de prins kwam ze allerlei kikkers tegen, die ze, omdat het sprookje nou eenmaal zo gaat, hartstochtelijk kuste. En dan wachtte ze een hele tijd, tot de kikker in een prins zou veranderen.
Er waren driftkikkers bij, en exotische kikkers, koele kikkers en blaaskaken, kikkers die wonderschoon kwaakten voor haar, pafferige padden en toffe kikkers die al erg op een prins leken. Maar geen van allen werd de prins waar ze zo naar verlangde.
Ze had de hoop al bijna opgegeven tot ze een kikker tegenkwam die ze kuste, en die, -verdomd als het niet waar was-, in een prins veranderde.
Wel een andere prins dan die ze verwachtte, een beetje een gekke prins met kikkerbillen, maar toch een prins. Bovendien vond ze dat ze, na al dat kikkerkussen, niet over dat soort details moest zeuren.
En zo kwam alles goed.
In het sprookje.
Totdat het prinsesje er achter kwam dat het leven geen sprookje is. En zij geen prinsesje.
En de prins?
Die kwaakt door, en kust alle prinsesjes die hopen dat het goed zal komen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten