zondag 8 februari 2009

De das en de mol


Het was bitter koud en donker.

Geen ster te zien, geen sikkeltje maan, niks. De hemel ging naadloos over in de aarde. Aardedonker dus.

“Een graf”, dacht de das. “Of de hel”

Hoezo zou de hel vol vlammen zijn? Nee, veel te warm en te licht. Het zou juist de afwezigheid van warmte en licht zijn, het kouwe donkere niks, en dan voor altijd. Hij zuchtte diep.

De das was somber. Heel somber, om niet te zeggen: Depressief.

Hij zat op de nul-lijn, of nee, veel lager.

Nul-lijn was eigenlijk nog redelijk normaal, daar kon je nog mee over straat, maar dat gebeurde niet vaak meer. De das kwam liever pas ’s nachts uit zijn hol, als de meeste dieren sliepen.

Dat scheelde weer het banale; ‘hee, hoe is-tie?’, en dat hij dan zou moeten antwoorden; ’ja, z’n gangetje’.

Nee, dat kon hij echt niet meer opbrengen, daarvoor zat hij al te diep en was hij veel te ver heen.


“Hee, das, zo laat op pad?” klonk het monter aan zijn rechterkant, gevolgd door een opgewekt “hoe is-tie?”

De das kromp ineen. Ook dat nog. De mol. Die zat vast om een praatje verlegen.

Niet af te schudden natuurlijk.

“Oh, best” mompelde hij, terwijl hij gestaag voort schuifelde, het bospad af.

“Ho ho” lachte de mol, “best zei je? Nou mijn moeder zei altijd; best is niet best. Snap je hem? Best is niet prima, best is niet eens ok. Dus vertel, wat scheelt eraan?”


De mol legde een grote zanderige klauw op de das zijn schouder en liet hem even liggen. De das schuifelde door, zijn pootjes voor zich uitgestrekt als een blinde.

“Nee, d’r is niks hoor. Het is alleen koud, hé, voor de tijd van het jaar. Maar ik moet even…”

“Wacht eens even, meneertje, niet zo snel. Blijf nou toch staan en vertel maar eens aan de mol wat er aan de hand is. Want zo gaat dat niet. Arme ziel. Huil je?”

De das schoot overeind. Zijn gewrichten kraakten ervan.

“Hoe kom je erbij!”kreet hij, hoger dan normaal en hij voelde hoe zijn lippen in een grijns trokken. “Het gaat prima, joh, echt”.

Oppervlakkig, schoot door hem heen. Ze dwingen je tot oppervlakkig gezwets.


“Ach, das toch, kom kom. Voor mol hoef je je niet te schamen hoor. Ik ben wel wat gewend. Laat me raden. Liefdesverdriet? Is dat het? Of iemand dood? En dan die feestdagen, die je alleen moet zien door te komen? Nee? Winterdepressie dan? Algemene lethargie? Komt vaak voor hoor, zeker in deze tijd van het jaar.”

“Hé, mol, heus. Niets van dat alles” zuchtte de das, “het is niets, het is alleen maar koud, that’s all”.

“Weet je ’t zeker?” vroeg de mol. “want ik ben er om je te helpen, hé”

“Ja, ik weet het heel zeker”zei de das zo resoluut mogelijk, “het is alleen maar koud”.

“Tja, het is wel koud”gaf de mol toe, “zeker voor de tijd van het jaar…”

“En dat is het” zei de das, die weer begon te schuifelen.


“Weet je wat jij moet doen, das”, vervolgde de mol, “jij moet lekker je nestje in. Da’s veel warmer. Lekker onder de wol tot de zon weer opkomt morgen. Want die komt op hoor, reken maar van yes!”

“Ja, mol, dat kan ik wel doen ja”

“En dat zul jij zien, dan ziet de wereld er weer heel anders uit”.

En de mol aaide de das over zijn kop.

De das kuchte. “Nou, welterusten dan maar, mol”.

“Mooie dromen, maatje”


En toen de das terugschuifelde naar zijn warme nestje zag hij, verdomd als het niet waar was, een heel klein bleek flikkerend sterretje tussen de nevels door.

“Kitsch” dacht hij, terwijl hij zijn koppie oprichtte.





Geen opmerkingen: