zaterdag 29 augustus 2009

stortbui

Vandaag zijn we 10 kilometer door een vreselijke stortbui die nooit meer ophield naar huis gefietst. Zij op haar aanhangfietsje achter mijn fiets. Korte broek, geen jas aan.

Ik peptalkte: ‘We laten ons niet’… ‘kisten’ vulde ze braaf aan. En dat liet ze zich ook niet. Heel hard fietsen, dan wordt je warm en dan zijn we er sneller, zei ik. En ik koppelde er nog een wijsheid over acceptatie aan vast, dat we nou eenmaal echt nat zouden worden, en dat daar niet tegen te vechten was. Dus als je dat nou eenmaal maar accepteerde was het zo erg nog niet, dan was het misschien wel leuk, iets wat je nog nooit meegemaakt had omdat je er nooit voor zou kiezen.

Acceptatie… moet je mij horen.

Maar zij snapte het, vond het zelfs wel grappig, fietste met haar ogen dicht en haar mond open.

Als ik omkeek zat ze daar, met modderspatten op d’r bleke wangetjes, in haar wenkbrauwen, een doorweekte capuchon van haar vestje, grote snottebellen, ronddraaiende beentjes.

Sammie piepend in zijn krat voorop de fiets. Neem een voorbeeld aan Famke, beet ik hem toe, waarna ik hem de rest van de toch naast de fiets liet rennen, om van het gezeik af te zijn.

Famke werd steeds stiller, fietste nog wel heel dapper mee. Tot ik een te krappe draai maakte op het smalle bruggetje bij het Boergoense pad, en ze haar beentje schaafde. Toen moest ze heel hard huilen. Want het was ook heel koud snikte ze. Veel kouder dan water uit de kraan.

In de verte begon het te onweren. Het lange onbeschutte pad lag voor ons, wij waren het hoogste punt in de omgeving.

Hard fietsen en hard zingen, om warm te worden, piepte ik in een te hoge octaaf. Oze wiezewoze, de mosselman… bibberend mompelde ze ‘Scheveningen’.

Klappertandend en met trillende handjes rolde ze thuis van d’r fietsje. Gelijk naar haar poesje toe, dat spinnend in de vensterbank lag.

En toen in bad. Met lavendelolie. Heel lang, dat superstoere meissie tegen me aan. Mijn bikkeltje, mijn dochter!

maandag 24 augustus 2009

Randstad-platteland

Ik ben na de verhuizing niet meer teruggeweest. Het staat me tegen. Dat had ik niet gedacht; Den Haag was de mooiste, groenste stad van de Randstad, immers. En de zee dan, en mijn vrienden?

Hier scheren de zwaluwen over de sloot. Maak ik een praatje op het Klunder met de hondeneigenaars. Als ik thuiskom kroel ik met het poesje, draai ik een wasje. Drink ik koffie in de zon. Haal ik Famke uit school voor de lunch.

Niet zo heel lang geleden draaide mijn dag op de klok. Kosten sjekkie’s 7 minuten, slalomde ik tussen spitspubliek door naar mijn werk in dat hele lelijke gebouw waar ik tussen de dossierkasten zat. Heel belangrijk werk hoor, als tandwieltje in het radar van REC West. Als je erin zit zie je niet meer hoe ongezond het is. Denk je dat je onmisbaar bent, het niet anders kan.
Dat je er niet zomaar uit kunt stappen.

Hier heb ik hertjes gezien. Koop ik spekbonen bij de boer. En stoofpeertjes. En pruimenjam. De oogst is geweest. Zwermen kraaien over de gele stoppelvelden. Straks ploegen ze het land weer om.
En ook deze week komen vrienden langs, stoken we fikkie in de tuin, hebben we alle tijd om te eten en te praten en hele einden te fietsen, langs die eindeloze wegen door dit prachtige land.

zaterdag 22 augustus 2009

vrijdag 14 augustus 2009

nabuurschap


Een van mijn naburen is een gepensioneerde meneer die aan één hand zijn vingers mist. Ik ontmoette hem toen ik in de voortuin aan het werk was en hij zijn Kliko van de straatkant haalde. Hij stelde zich voor, ik schudde zijn linkerhand, en hij begon er zelf over. Een ongeluk, maar hij redde zich best, de dokters waren trots op hem.

Een keurige heer is het, verhuisd uit Amsterdam, naar Groningen en daarna naar Thesinge. Geen auto. Als hij boodschappen moet doen en het regent, dan gaat hij gewoon de volgende dag. Alleen het maaien van de slootkant die over zijn land loopt is een probleem zei hij. Met die hand. Ik heb hem mijn hulp aangeboden, uit logisch nabuurschap. Dat was goed hoor, antwoordde hij, waarna hij met gemak twee Klikobakken naar huis rolde.


donderdag 6 augustus 2009

wat brandt krimpt

Zoveel zand is gegeten
door duldende tanden
dat het hart wel knarst en hapert
maar doormaalt

zoveel voze wind is geblazen
in weerloos afwachtende ogen
dat tranen meer pijn zijn
dan recht vooruitzien

en men wordt zuinig
op zijn zuchten.


Ellen Warmond