Er was eens een bokje dat heel graag een grote sterke ram wilde zijn. Maar dat was hij niet. Dus hij deed alsof, om te oefenen voor als het zo ver was.
Hij schraapte zijn keel, zette zijn pootjes uit elkaar en mekkerde wat. De geitjes om hem heen gniffelden er om en gaven hem uit medelijden af en toe een bemoedigend moederlijk kneepje in de wang.
‘ Flink oefenen, lieffie, jij komt er vast’. En zo ging het al tijden. En steeds noemden ze hem ‘ lieffie’, iets waar hij steeds meer van baalde. Maar dat moederlijke, dat vond hij juist wel fijn ergens. Dan voelde hij zich warm en opgenomen in de kudde. Minder alleen.

Op een dag kwam hij een rat tegen. De rat had het helemaal voor elkaar, vertelde hij het bokje. De muizen sidderden voor hem en de andere ratten gaven hem in alles gelijk. ‘Gewoon flink dreigen en desnoods echt bijten’, vertelde hij, terwijl hij zijn gele tanden bloot lachte. Ja, de rat was blij met zichzelf. Had geen kudde nodig.
‘Mag ik een eindje met je optrekken’, vroeg het bokje. Want hij begreep dat hij nog veel van de rat kon leren.
Toen het bokje en de rat aan het wandelen waren en het juist hadden over zaken als invloed en macht, liepen ze bijna tegen een zwijn aan.
‘ Kijk uit je doppen, godverdegodver, stelletje minkukels!’ bulderde het zwijn. Hij gaf daarbij een flinke zwaai met zijn slagtanden, die het bokje en de rat maar nauwelijks wisten te ontwijken.
‘ O, sorry’ stamelde het bokje, ‘ ik lette niet op. Helemaal mijn fout. Aanvaard mijn excuses’.
De rat zei niks, streek zijn snorharen recht en bekeek het zwijn eens goed. Hij stonk verschrikkelijk, maar straalde ook overwicht uit, op een hele simpele no-nonsense manier. Interessant.Het zwijn snoof. ‘Opzouten, loser!’ en gaf het bokje een flinke beuk met zijn massieve schouder. Het bokje wankelde achteruit, terwijl te tranen in zijn ogen schoten. Dit was hij niet gewend. Wat een bruut. Wat een beest.
Wat een kracht.
‘ Mogen wij eens een eindje met je oplopen, zwijn’ kwam de rat snel tussenbeide, ‘ jij hebt iets waar wij nog veel van kunnen leren.’
Het zwijn snoefde; ’Dat kun je wel zeggen, ja. Ik ben op afstand jullie meerdere’. En hij draaide zijn niet geringe achterwerk naar het bokje en de rat toe, terwijl hij met zijn korte staartje de strontvliegen van zich af probeerde te zwiepen.
‘Vooruit, volg mij maar. Geen gedoe met ‘drie musketiers enzo’ en zeker niet gaan lopen te zeiken en huilen aan mijn kop. Gewoon in mijn tempo mijn weg volgen. En nu ingerukt’.
En zo ging het drietal op stap.

Toen ze langs de kudde van het bokje liepen stak het bokje zijn borst vooruit, al liep hij achteraan. De geitjes in zijn kudde waren verbaasd. Zo hadden ze bokje nog niet gezien, zo trots en ferm. Zou het dan toch een heuse ram worden?
De rat siste naar de kudde; ’verpest het nou niet voor bok, want anders zul je met mij te maken krijgen’. Het zwijn snoefde alleen maar, wat genoeg was om de kudde in bewondering te laten wegzwijmelen. Wat een beest!
De muizen en ratten die ze tegenkwamen verborgen zich snel in gaten en holen, onder stenen of bloempotten. Een enkele dappere rat piepte nog wel ‘rat, wat maak je ons nu’, maar dan deed de rat een snelle uitval en hielden ze zich verder koest. Een keer stond het zwijn stil en bulderde naar de rat: ‘ zeg, kun jij die soortgenoten van jou de mond niet snoeren? Wat ben jij voor sul!’, en de rat verdubbelde zijn agressie. Dat was voldoende. Alleen instemmend gepiep of stilte. Prima.
‘Wij drieën moesten de boel maar eens flink opschudden hiero’ snurkte het zwijn.
En dat deden ze. Het bokje mekkerde met overslaande stem dat er vanaf nu geen paardenbloemen gegeten mochten worden. Want dat was frivool, en daar hield het zwijn niet van. En de rat stelde voor dat alle andere dieren bij decreet minderwaardig waren, met terugwerkende kracht, en dat ze bovendien zouden moeten gaan inleveren op de zon en de regen.
De andere dieren vonden dat maar gek. Ze hadden niet het idee dat ze ooit iets verkeerd hadden gedaan, maar nadat het zwijn zijn stootgroepen -vooral varkens en dikke zeugen- op ze af had gestuurd deden ze morrend wat ze gezegd werd.
‘ En ik wil ook niet hebben dat er gemord wordt’, mekkerde het bokje overmoedig.
Het werd herfst. Gierende herfststormen raasden tussen de bomen. Het zwijn vervolgde zijn pad, het bokje en de rat sjokten achter hem aan. Het werd december.
Vlak voor kerst vroeg de rat aan zijn kornuiten hoe zij de kerst zouden doorbrengen.
Was het een idee om het samen te vieren? Bij iemand thuis, gezellig en warm. Hij had namelijk nogal moeite nog ergens binnen te komen en het begon toch frisjes te worden. Het bokje keek bedenkelijk. Het liefst zou hij gezellig bij zijn kudde onder de wol... maar ach, hij moest ook niet kinderachtig doen. Hij zou de dames wel overhalen.
Het zwijn zweeg. Hij dacht terug aan vorige winter. Aan de jagers, de wildschotels.
‘Laten we eerst maar eens kijken of we de kerst halen’, mompelde hij.
En van achteren gezien leek het wel alsof hij zijn machtige schouders liet hangen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten